Ik loop soms de markt op om mezelf te pijnigen. Ik weet niet wat het is, maar de markt heeft iets magisch – zij het in negatieve zin. Het is krap, te veel mensen op elkaar, te veel struikelblokken in de vorm van kabelbruggen. Er hangt een vloek over die plek: motoriek verdwijnt. Zonder gekkigheid, mensen lopen spontaan vast. Ze stoppen op willekeurige momenten, als een computer die plots uitvalt. Ze botsen tegen elkaar, wisselen een ogenblik oogcontact en lopen dan weer verder. Corona – als het ooit bestaan heeft – lijkt op deze plekken nog voort te leven. Dicht opeengepakte lichamen, vieze handen, bacillen in de lucht. Je voelt het in die smerige adem van de massa. Chaos regeert, rust is een mythe, stemmen zijn lawaai. Het is een plek die je eigenlijk niemand toewenst, en toch komen er zoveel mensen op af. Wat zijn we toch vreemd. Wat ben ik toch vreemd.